Verenplukken Papegaai

Verenplukken bij papegaaien

In de praktijk wordt bij papegaaien regelmatig verenplukken gezien (10-15% van de papegaaien). Vooral kaketoes en grijze roodstaartpapegaaien zijn gevoelig. Het gaat niet alleen om verenplukken, maar ook om afbijten, kapot kauwen en/of rafelen. Om die reden kan beter gesproken worden van veerbeschadigend gedrag. Omdat verenplukken veel lijkt op het poetsen van het verenkleed en moeilijk daarvan te onderscheiden is, wordt het beschouwd als een gedragsprobleem dat langzaam ontstaat. Het leidt ertoe dat het verenkleed beschadigd raakt, vooral de nek, borst, flank, dijen en onderzijde van de vleugels. Op plekken waar de vogel met zijn snavel niet bij kan, zoals het hoofd en de kuif zijn normale veren aanwezig. Als papegaaien hier eenmaal mee beginnen, is het niet eenvoudig om dit gedrag te doorbreken. De kale vogels zien er natuurlijk niet mooi meer uit en het resultaat is soms dat de dieren naar een opvangcentrum worden gebracht.

De aandoening wordt beschouwd als één van de meest voorkomende gedragsproblemen bij in gevangenschap gehouden papegaaien. Dierenarts-specialist Yvonne van Zeeland, werkzaam bij de faculteit diergeneeskunde in Utrecht, heeft hiernaar promotieonderzoek verricht.

Voor verenplukken is niet één oorzaak aan te wijzen, maar verschillende factoren spelen een rol. Vooral de leefomgeving is hierbij belangrijk, maar ook erfelijke factoren en hormonen bij de vogel zelf. Het met de hand opfokken van papegaaien heeft ook invloed op het ontstaan van afwijkend gedrag. Wat betreft de leefomgeving is bekend dat huiskamerpapegaaien nog erg veel op hun wilde soortgenoten lijken wat betreft hun instinct, gedrag en behoeften. Het alleen zijn van de dieren zonder soortgenoten, de korte tijd die nodig is voor het vinden en eten van voedsel en onvoldoende stimulatie vanuit de leefomgeving kan leiden kan verveling, frustratie of stress en aanleiding zijn tot verenplukken.

Preventie en behandeling van verenplukken richt zich dus in de eerste plaats op de voeding, het aanbieden van gezelschap en voorzien van meer leefruimte. Bekend is dat verrijking bij het aanbieden van voedsel een positieve rol speelt. Belangrijk daarbij is om het voer dusdanig te geven dat de vogels veel meer tijd nodig hebben en meer moeite moeten doen om dit te vinden en op te nemen. Dat kan bereikt worden door bijvoorbeeld voerpuzzels te maken en/of het voer in grotere brokken aan te bieden. Daarmee kunnen de vogels gemiddeld 2 uur per dag bezig zijn met hun voeding. Dat is nog steeds relatief korte tijd vergeleken met hun wilde soortgenoten die 4 tot 8 uur per dag bezig zijn met het zoeken naar en het opnemen van voedsel.

Daarnaast is het optimaliseren van de omgeving belangrijk om zoveel tegemoet te komen aan de natuurlijke gedragingen van de vogels. Dat betekent meer sociaal contact door soortgenoten erbij te plaatsen en meer bewegingsruimte (ook om te kunnen vliegen).

Door middel van gedragstesten kon Van Zeeland aantonen dat karaktereigenschappen van de vogels ook een risicofactor kunnen vormen. Het aanbieden van gedragstherapie kan daarom ook zinvol zijn. Voor dat doel zijn er gecertificeerde gedragstherapeuten in Nederland te vinden.

Paul Overgaauw
Specialist Veterinaire Microbiologie KNMvD, Dipl. ACVM, SMBWO erkend parasitoloog